NAAI MIJ MAAR DICHT


CHRISTMAS BLUES

Daar lig ik dan wit gewist
Lichtjes slechts beschadigd

Schrap mij maar een beetje
Knip maar in mijn weke vlees
Neem en eet dit is mijn lichaam

Wie niet weg is, is gezien

Wie ligt er in mijn bed, vraagt hij (84)
Zijn boerenkieltje, van een opvallend blauw, is zoek
Zoals zoveel in dat scherpe vogelkopje

Met welk recht wordt hij vastgebonden straks
Teder maar vakkundig strak

Leven is als schrijven schrappen

Meander – april 2001
Digther – maart 2005


DANSE MACABRE

je zal maar in een massagraf belanden,
moeten zoeken naar je handen en je voeten,
waar schuilt je schaambeen, schedel, ellepijp?
je kan niet zonder deze kuil verlaten

laat alle ribben zweven in de wervelwind,
haal menig scheenbeen onderuit, of beter
nog, als steun gebruik een schamel schouderblad

en wordt een bot jou bikkelhard geweigerd,
gebruik desnoods een elleboog, een vuistvol
vingerkootjes, geen heiligbeen is heilig

vind je tot slot je eigen sleutelbeen terug
– je vindt beslist niet alles – kus dan de vrouw
die voor haar slaap- en spaak- en staartbeen, in ruil
van nu af aan jouw kuitbeen mag behouden

NV POËZIE – november 2004,
Ontkomen aan de tijd – Concept mei 2005


DOESCHKA

als hij het deurtje met de grendel sluit
dan is de dag voor iedereen voorbij,
daar leg ik mij bij neer, herkauw wat was,
het hooi praat achter tralies stug terug
over een meisje dat wijd haar benen spreidt,
over horzels, ereprijs en wuivend helmkruid
en dauw die groeien doet, het hooi weet veel,
dat elke kale jonker stekels heeft,
bij lage zon je schaduw langer wordt,
en huivert niet voor blauwtong, kreupelrot
of teken aan de wand; benieuwd of hij
die bij het eerste licht de grendel grijpt,
mijn kop zal krauwen waar ik niet krabben kan

De Geletterde Mens – september 2010


EEN SCHUUR VOOR WINTERHOUT

wat ik reeds heb:
een okkernoot van vorig jaar,
de vleugel van een Vlaamse gaai,
de schedel van een kat (welke?),
scherven (brengen die geluk?),
vier planken tropisch hout,
(een soort die niet op water drijft)
een platte kei waarmee ik keilen kan,
een handjevol verroeste krammen,
een bout waarvan de moer ontbreekt
het hart van een versleten vensterluik
een touw waar niets aan vast te knopen valt

wat ik nog mis:
een foto van de engel Gabriël
een plattegrond van elke horizon
een moer (waarvan de bout in mijn bezit)
twee zijderupsen in een moerbeiboom
een koffielepel nuchter speeksel

ik wou een brug van regenboog
het wordt een schuur voor winterhout

Meander – december 2007
Meander – Boukes Vlierhuis keuze – december 2009
De Geletterde Mens – september 2010


EGELSTELLING

het holster van de nacht je zeer geheime wapen
ontbolster in het licht als het niet anders kan
bij gebrek aan adem bijvoorbeeld of
geplaagd door teken (teken dat je leeft)

weet je, licht is van geen kleintje (dat ben je toch)
vervaard, licht lasert je ene diepe gedachte
tot bleek gebeente miereneter gordeldier
tandeloos eet je met het rietje van je tong

leven is bewegen maden zijn je maten

Meander – december 2007


JONGE HONDEN

Elke dag opnieuw stop ik de jongens
een verse lading warme woordjes toe,
de allerkleinsten voer ik uit de hand,
ze huiveren wat lacherig bedeesd
bij de zuurstokroze woorden liefde,
anderen kauwen heel bedachtzaam dan,
als voor het eerst, de paarse woorden pijn
of happen naar de gele woorden haat.

Niet zelden verlies ik zo een vinger,
één enkele keer graait zelfs een jongen
onverdacht zo maar naar het woord geslacht,
mijn woordje hart is evenmin intact.
Al kauw ik vreemde woorden keurig voor,
gebeurt dat ik er eentje kokhalzend
in zo een hoek vol lettergrepen tref.

Ik weet als ik de woorden voor hen brokkel:
dit is soldatenkoek voor jonge honden.

Meander – april 2003


LAM IN DECEMBER

ik wist niet wat je was
een dikke kip die ritselt in het stro
een zacht konijn dat angstig wacht
het is duister in december

reegedwee gedoofd knisperdroog
het mechaniekje van je poot
ik woog je dood drie kilo lood

ik laat je niet vermalen
berg je kruidig op
bergje op bergje af
nu al buiten adem

als het ooit nog lente wordt
woel ik je licht verteerbaar om
weet dat ik je eet bij elke beet
dat niets verloren gaat
zie hier het lam

Meander ‘Gedicht van de Maand’ – juni 2003
ingesproken door Rein Edzard voor Gedichtenlijn – 8 oktober 2004
BELUISTER

NV POËZIE – november 2004
Digther – maart 2005

2013-09-15 Biblio 002


OVER GRENZEN

vertel mij over grenzen hoe
wij verlegen ze verleggen
hoe wij het gras steeds groener
reikhalzend ooit bereiken en
aan de overkant dan aanbe-
land elk blad dat ritselt vrezen

heb ik aan pantser wel genoeg
volstaat een kus om mij te kwetsen

ik wil je wel bekennen dat
ik een stalen sleuteltje bezit
dat past op allerhande kisten
in hooischelven verstopt en laden
opent van eiken secretaires
zelfs nietsvermoedend linnenkasten
maar zelden vind ik wat ik zoek

vertel mij over grenzen
wij staan aan beide kanten ooit
wij staan aan alle kanten bloot

Gedichtendag 2010, HHC Waregem – januari 2010
De Gelettterde Mens – september 2010


PLUKKEN

omdat je nog niet vliegen kan
heb ik voor twee een laddertje
bedacht zo kan jij hogerop
zo kan ik jou omarmen weet je
omhelzen lukt ons niet zo goed

je wil dat ik je hoger til
hoe gretig je ook graait
je kan niet alles plukken
gefladder en gefluister
mondrood vleugellam
val je in mijn armen

morgen tellen we de pitten


VERSCHROEIDE AARDE

zij is verschroeide aarde
wie haar bezat, heeft haar verzengd
en liet slechts sintels na

zij is een schim, een schimmel in de nacht
een postkoetspaard slecht afgetuigd
een magere merrie zonder zadel
die zich bijna benaderen laat

zij hinnikt niet, zij heeft het graag
als men haar flanken streelt
zij wenkt, zij zwenkt, ontwijkt
de sporen die hij achterliet

het lukt haar niet
hij heeft haar bit in zijn bezit
tot aan het einde van de rit

Meander ‘Gedicht van de Maand’ – november 2004
NV Poëzie – november 2004
‘Het Krassend Crayon’ het poëziekatern van Writers Block – december 2004
Op Ruwe Planken – maart 2005

1ste prijs Meralit, woord in beweging, Boxmeer – januari 2005
‘Schrijvende, achterlatend voor nu’, bloemlezing – januari 2005

2013-09-15 Biblio 001


WINDKRACHT ACHT

Wij wachten na de maaltijd verdrietig en voldaan
op de asse hartverwarmend in de urne.

Vanop een heuveltje bij windkracht acht
wordt nonkeltje, zoals hij altijd was, verstrooid
en iedereen is in de wolken.

Gedreven door de wind is nonkel eerder thuis
Dan tante in haar zwarte limousine.

Dicht a/h Hart – april 1997
Meander – februari 2000
En er is – oktober 2004
Krakatau – december 2004
Op Ruwe Planken – maart 2005

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s