GOD VOOR DUMMIES

Het zijn goede sprekers die de zwijger kunnen verbeteren‘ Hugo Schiltz

 
Als je God voor het eerst in het echt ontmoet, is het altijd even wennen. GOD VOOR DUMMIES kan daar bij helpen. Ook gevorderden zullen een ganse kluif hebben aan deze geschriften, vooral aan het laatste hoofdstuk waarin de dichter fietsend de confrontatie met God aangaat. Het is enkel nog wachten op de ontbrekende hoofdstukken die omwille van een geweigerd imprimatur nog niet kunnen gepubliceerd worden.

 

– hoofdstuk xiv – Fietsen met God

Vooraf vraag ik me af hoe God zich voelen moet
zo achter op de fiets als Hij het stuur uit handen geeft
en niet meer trappen hoeft, bezorgd slechts om het wankel
evenwicht; alwetend als Hij is, hem knijpt in
elke bocht om wat daar achter ligt en goed beseft
dat ik het ben die aan de leiding rijd en zelden
in de remmen ga omdat ik zo graag winnen wil .

In Genesis staat apocrief geschreven dat
op de zesde dag de ketting en het tandrad
gedreven met heilig vuur werden gesmeed,
de stuurpen en het zadel, er stond geen rem meer op –
de aarde was toch plat – de banden dienden
enkel nog gevuld met goddelijke adem
zodat Hij op de eerste rustdag rijden kon;
want deze God had zo zijn eigen velodroom
waarin Hij altijd dacht te winnen op één been,
wat enkel logisch lijkt met step of autoped.

Lichtjaren en nog eens lichtjaren later,
na het oude en het nieuwe testament,
ben ik uit vrije wil geboren, mijn vader
hield geen duiven toen en was geen timmerman
of diende niet te vluchten naar Egypte,
in de sterren stond weinig over mij geschreven
behalve dat ik wou bewegen als de aarde om de zon,
al was ‘t in den beginne net nog andersom
maar dat is voer voor exegeten, die willen
dat wij weten wie God is en waarom, daarom!
bewegen dus op hobbelpaard, met mosselkar
of zelfgemaakte slee, pech in jaren zonder sneeuw,
tot … zoals bij God: uit het niets komt plots mijn fiets.

Als je vader vaak uithuizig is, met stenen tafels
in de weer of manna laten sneeuwen dan
moet je fietsen leren met steuntjes achteraan,
tot op een goede dag die wieltjes zijn verdwenen
– alweer een flauwe grap van hocuspocus-pa –
mijn vader echter houdt, beloofd, mijn zadel stevig vast,
tot plots niet meer – een milde vorm van verraad – en
fietsen blijkt van zelf te gaan als ik maar snelheid haal,
het pad geen bochten heeft, het open hek steeds
open staat, de Rode Zee steeds tijdig open gaat,
pas dan …
Zoveel nog moet ik leren, vaste pion,
terugtraprem, wanneer en waar te demarreren,
rijden in en uit de wind en hoe het voelt
te vallen in het grint, vooral de dag nadien,
‘départ’ en ‘arrivé’, begrijp die dingen niet
verkeerd want andersom ben je ’r meteen geweest,
tot slot van ’t wielerfeest de Brabançonne en ook
de Vlaamse Leeuw.

Ockers wil ik zijn, of Schotte, IJzeren Briek,
ook Charlie Gaul kan mij bekoren in het geel,
of Bahamontes, die zo goed klimmen kan,
zij zijn de helden die ik speel, ik win, ik win,
daar zijn de bloemenmeisjes al met kussen
en ruikers gladiolen uit de tuin, of zijn
het dahlia’s, ik win, ik win, ik zou zo graag …
maar winnen ook dát moet ik nog leren
want winnen is je oudere broer verslaan,
en ervan genieten zeven dreven lang,
veel moeilijker dan plassen zonder handen aan
het stuur, behalve als de wind ongunstig zit.

Steeds strakker gaan mijn spieren, maar even
goed mijn klieren, spannen in mijn ondergoed,
verschijnt voor ‘t eerst de liefde in mijn leven,
dan is zij blond, de kleur van beter Belgisch bier
en welgevormd gelijk de kromming van mijn stuur,
ik wil meteen versnellen, en schakelen
naar een groter blad, mijn God, hoe doe je dat?
haar tepelhof, haar Venusberg en zelfs haar
Tourmalet, ik wil ze allemaal beklimmen
(ja God is steeds nabij als ik van haar heuvels glij).
Ze wil ze gaarne ruilen haar borsten voor mijn dijen,
ze wil ze gaarne strelen mijn benen van beweeglijk staal,
ik hoef niet eens te demarreren, ze kreunt
bij elke omwenteling, van op en neer, en weer
en meer; volgens de priesters en prelaten,
dienaren van God, kan ze me beter laten,
want fietsen maakt een mens doortrapt, weten zij veel
hoe zíj mij entert met haar haken, veel dieper
in mijn vlees, dan ik ooit in haar zal geraken,
weten zij veel, hoe mijn banden onder spanning staan,

Het echte leven, het rondewerk begint nu pas
met de routine en de sleur maar ook de geur
van rijpend graan, asfalt dat smelt in de Provence
van melk die overkookt in veel te kleine keukens,
mijn dochter moet een nieuwe luier aan,
mijn zoontje leren fietsen voor ik het vergeet,
de wekker op halfzeven; vlug de kookwas nog,
geen gele trui en evenmin een groene,
daar komen toch maar vodden van,
mijn merk staat op mijn buik gedrukt, kijk dan toch,
de rondekaravaan met de reclame, en
dan het peloton, waaruit ik niet ontsnappen kon,
ik blijft nochtans proberen bij elke tussensprint,
gezwind haalt men mij in en wijst me op de wetten:
ik ben de man die water dragen kan
niet meer, niet minder.

Ja dit is het leven, een rit met veel vals plat
en rijden op kasseien tot alles beurs is
aan je gat, je mensen gaat benijden die
vlaggen zwaaien aan de kant en toezien slechts,
zij missen wel het drama, zij voelen geen tragiek,
de renner die op honderd meter van de meet
nog ingelopen wordt, een straathond voor de wielen
krijgt geschoven, en nadar die dichter staat dan ooit.

Van fietsen moe duikt af en toe, hoe stuurvast ook,
er een de afgrond in en wordt ten hemel opgenomen;
wat eerder bij ‘t beklimmen van de Mont Ventoux,
geheiligd zij zijn naam, Tom Simpson overkwam,
gebeurde op de berg van Golgotha ook ooit,
geen God die deze pret belet, in tegendeel
volgens de Bijbel, wat neergaat stijgt weer op.

Waar je ’t allemaal voor doet? voor de beloning
die je krijgt uit handen van twee Missen die je
nooit eens helpen pissen bij controle achteraf,
doen alsof ze kussen in een aanraakritueel,
present met een Roubaix-kassei, tien potten gelei
van lokale makelij, een surprise Kinderei,
je gewicht in chocolade, een renpaard
of een pluchen leeuw – je onderdrukt nog net een geeuw –
champagne, lauw en niet te drinken, die enkel
om te spuiten dient, wat Freudiaans werd uitgekiend;
en zeker niet voor de massage door een vent
die vindt nadien dat je zo kneedbaar bent;
je naam op het asfalt gekalkt, tot het weer regent,
als beloning audiëntie bij de koning,
een audiëntie aan het Hof, da’s pas tof …

Eindelijk, na weer een brede bocht zie ik ze
liggen; is dat ze dan, de laatste rechte lijn
waarin zo veel nog hoognodig moet gebeuren?
wennen aan een klikpedaal, een harde helm
tegen ’t vallen, hoge bloeddruk en prostaat,
merken, veel te laat, een Aubisque van overmoed
en dat ik daar ook over moet, een Galibier
verdriet, ik draai meteen een kleinere molen
met deze toppen in ’t verschiet, en wil be-
slist de schimmelschaamte van mijn benen wassen.

Tijd voor een bekentenis: ik heb gebruikt bij het begin,
groten als Museeuw en Eddy Merckx gebruikten
enkel op het einde of heel occasioneel,
ik werd al gedoopt bij mijn geboorte,
ik had vertrouwen in beide mijn soigneurs,
dat dopen, het zou niet schadelijk zijn
en bovendien ze doen het allemaal,
je moet alleen je bochtenwerk verzorgen.

En op het einde van de rit in volle sprint
zit rechts en links van mij, op elke fiets zo wat –
nu pas merk ik dat – telkens achterop een God (verdomme)
in zelfgebreide gele trui met open rits,
verzekerd van zichzelf omdat Hij altijd wint
balt hij zijn vuist en wijst voldaan dan hemelwaarts,
de Elysese Velden, Hij voelt er zich zo thuis,
en als het even kan dan kijk ik achterom
of ik hem mis die alomtegenwoordig is
en vraag hem of Hij het almachtig lekker vindt
achter mijn rug, mijn hele leven, uit de wind
– wieltjeszuiger, Zoetemelk zal ik hem noemen –
Hij zwijgt zoals ‘t een God betaamt omdat Hij weet
dat spreken zilver is en dertig stuks ervan
volstaan om iemand aan een kruis te laten slaan.

Maar liever nog dan winnen in een massasprint,
veel liever nog kwam ik alleen over de meet
zodat ik eindelijk nog eens op de foto sta,
en als het niet met voorsprong kan, laat mij dan
de laatste zijn, ruim buiten adem, ruim buiten tijd
zodat ik niet meer hoef en eindelijk ben bevrijd
mijn God, uit dit perpetuum mobile van
wentelende wielen en stramme, lamme benen.

Epiloog

Wat rest er later van een renner zoals ik?
een streepje DNA gevonden in een bocht
ooit door mij gemist, een tricolore trui
in een vitrinekast die niemand dan nog past
of enkel dit bericht en verder alle boeken dicht?
(wie weet, in een verlaten la een foto
met het meisje dat mij als eerste heeft gekust)

 

 

Meander – december 2007

De 100 mooiste wielergedichten uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur – oktober 2014

de 100 mooiste wielergedichten uit de Vlaamse en Nederlandse literatuur

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s