GEKNIPT

 
Hoe moet een bloemkool zich voelen in februari in een lege serre?

bloemkool

Er is meer dan het ‘Animal Liberation Front’. Groenten zijn zeer gevoelige wezens. Toen ik vorige week in mijn serre kwam met de bedoeling druivelaars te snoeien merkte ik een eenzame bloemkool die duidelijk dorstte naar water en zorg. Hoe komt het toch dat wij mensen zo weinig geven om bloemkolen in koude serres vooral in de maand februari? Het is duidelijk dat dit meer is dan enkel maar een filosofisch probleem.

Behalve Pain Perdu verschenen de prozateksten van Geknipt eerder in het tijdschrift De Natuurlijke Weg.

 


 

 

DE ZEVENDE DAG

Een dag waarop nu eens niet gerust wordt, maar wel veel links wordt gereden; een ritverslag waarin Eddy Merckx eens te meer geen rol speelt.

Ten geleide: Het voorbije jaar was een bijzonder jaar, afgezien van het heel merkwaardig openbaar leven dat ik begon, voerde het afgedankt jaartal een tweeling zeven in zijn schild. De zevende dag van de zevende maand van het jaar zevenenzeventig kon dan ook niet anders dan hoogzwanger zijn van merkwaardige voorvallen of nauwelijks verholen voortekens.

Het volgend reisverslag is een natuurgetrouw relaas van mijn doen en laten op deze zevende dag. In het gezelschap van een achttal jeugdige onverlaten en één collega chef-technicus (hierna met Paul aangeduid) fiets ik al zeven dagen door een al te heuvelachtig, Engels landschap.

Donderdag 7-7-77: Winchester 7 u ’s morgens. De nacht hebben we doorgebracht in de « City Mill », een houten watermolen op het onstuimige Itchen-riviertje. Veel slapen doe je niet in deze tochtige herberg, zelfs al luk je een hazenslaapje dan nog blijft diep onder de plankenvloer het water van de Itchen kolkend door je dromen stromen. Winchester, oude hoofdstad van Engeland; stad van Afred de Grote, stichter van de Engelse natie; stad van de beroemde Gotische kathedraal (1079) met het langste schip; stad van het Hospital of St. Cross (1137), waar je als «arme» bezoeker nog steeds kunt aankloppen voor een aalmoes en een homp brood, en je een glaasje dun bier krijgt als troost en versterking; stad van het oudste Engelse kollege (1382),- Winchester, zo veel meer Engeland dan Londen.

Wegkomen uit deze romantische stede blijkt per fiets niet zo best te lukken, na een tiental minuten te hebben rondgehost, heftig links fietsend, heuveltje op, heuveltje af, steeds de pas afgesneden door verkeersvrije winkelstraten, komen we terug bij ons zonnig uitgangspunt, de Broadway waar King Alfred met opgeheven zwaard bronzig staat te glimlachen. Dit opwarmingsrondje doet de middenmoot huiveren; ik rij voorop, Paul, zo bedreven in het dichten van bressen en lekke banden,bewaakt de achterban. Er wordt gemord, ook al omdat een brief uit Goudhurst weinig goed nieuws bevat, de volgende dag immers wil de jeugdherberg in Goudhurst ons niet hebben, wat een marathonrit, Ewhurst – Hastings veronderstelt. Een weinig aanlokkelijk vooruitzicht want Hastinqs kennen we, dat wordt weer overnachten in vochtige tenten waar het roest zo van de beddenstijlen schilfert tot in je nachtelijk opengesperde bek.

Eindelijk laten de Angelen en Saksen ons los, hoezee,(3 maal) we geraken weg, richting Petersfield. Het derde hoezee wordt in onze kelen echter voorbijgesneld door een reeks tee- en andere zure oprispingen; nog maar net buiten de stad, onaangekondigd, moeten we plots giftig steil bergop gaan fietsen. Ik probeer verwoed, een tikkeltje wanhopig zelfs, kleiner te schakelen, de ketting springt maar niet waar ik ze hebben wil, het tempo stokt vervaarlijk, achter mij wordt beheerst en ernstig gevloekt – de streek werd pas laat gekerstend. Ivan Desmet, olijke knaap die gedurende heel de trip door Engeland als een soort mini-sponsor ons petjes van “Castro1” wil aansmeren (!), verdwijnt uit het pak samen met zijn 6 korte en 2 lange broeken die hij elke avond fanatiek in- en uitpakt. Hij heeft last van aanqedampte brillenglazen. Na Petersfield krijgen we onze zoete wraak op dit opzettelijk voorgevormde landschap. We ijlen naar beneden, Haslemere tegemoet (A3); een bleke Engelse dame met onverzorgd gebit deinst ontzet achteruit voor de doodsverachting die uit onze lege oogkassen straalt, we fietsen overmoedig alle Time- kranten (met een Engelsman onder de arm) van de stoep. Haslemere brengt vooral verpozing voor de meer kapitaalkrachtige renners; Paul en ik gaan rijk Chinees tafelen met chop suey, sweet and sour pork, chicken himalaya en dergelijke heerlijkheden meer. Met de halveliter-pinten Lager, een flets Engels biertje zonder boord ,proberen we de innerlijke, verhitte radiator te sussen.

De culinaire genoegens en genegenheden blijven de anderen gespaard maar betekenen, na de middag zweepslagen op het bitsig paard van ons tempo. De « fish and chip » glimlachjes verstarren gaandeweg, een saharazon zweert ongenadig samen met de dorst tegen de dorre lippen en lederen tongen; drinkbussen weten zich droevig leeg. Cranleigh, Cranleigh wordt er gemompeld als was het de naam van een bitter biertje. En inderdaad, rond 15 u lokale tijd ligt Cranleigh wazig als een fata morgana voor ons. De fietsen worden min of meer zorgvuldig in de lommerte van enkele bloedarmige boompjes gegooid, de vei1igheidssloten klikken vermanend. Cranleigh betekent “shoppen”; boekenwinkels worden afgetast en D.H. Lawrences « Lady Chatterley’s Lover » wordt triomfantelijk door een van onze minderjarigen meege- voerd. We reizen om te leren!

Een uur later kruipen we eeltig in het zadel, nog heel even, en dan mekkert de geit van Ewhurst ons welkom met een geheimzinnig lachje in haar baard, de horens krom van vreugde omdat we er al zijn. Het dagelijkse ritueel van omkleden en watervergieten gaat omzeggens ongemerkt voorbij. Spitse tong Johan Vandendriessche glijdt zwaar en omstandig uit over een verdacht opgesteld stuk Sunlightzeep, dat hij even later schuimend aan de geit voedert. Morgen zal de ontbijtmelk een verdacht Omo-wast-bitter smaakje hebben. De Cultuurbezetenen wandelen na het waterballet naar een pub toe, maar worden onderweg blij verleid door een geraffineerd mooi Normandisch kerkje uit de 12de eeuw. Reverend David Hutchinson leidt ons rond en vertelt honderd uit over de 3.000 parochianen die hij mag begeleiden; een deficit van 20.000 zielen na zijn overplaatsing uit Ipswich, al even zwaar te dragen als zijn verwijdering uit de Rotaryclub Een minzaam man, een “gentle” man. Samen wordt er naar de klokkentoren geklommen. Het handbediende klokkenspel maakt de urnen op het kerkhof even onrustig. Crematie is hier heel gewoon en zelfs in, o.m. door het plaatsgebrek op het kerkhof. De doden liggen er goed te Ewhurst, onder enkel gras en bloemen, rivaliserend in eenvoud met de kleine arduinen kruisjes.

De pub wordt toch nog gevonden die avond. De koele kelken gin laten onze spieren helder zingen als we de heuvels aflopen naar het jeugdhotel toe.

De Natuurlijke Weg – maart 1978


 

 

 


 

DRIE DAGEN ZONDER

Alleen op de wereld en in het echtelijk bed, een sluikse introductie van pornografie, een bescheiden lesje in de anatomie, een groentenkorf zonder aardappelen en tomaten, een dag zonder illusies.

Februaridagen, dagen die met moeite een wintergeeuw kunnen onderdrukken, slaapdronken dagen die zich rekken tot hun maartig breekpunt, tot de zon terug op het punt staat mij te verschalken in mijn ochtendlijke slaapkramp. De spruitjeslucht over dit land ebt langzaam weg, de morgenstond heeft opnieuw goud in de mond. Op zo een ogenblik alleen moeten wakker worden in het hondsdolle echtelijke bed is een trieste zaak! Niet dat ik last heb van poolvoeten of een onderkoelde ruggengraat als ik zonder vrouwelijke ruggensteun moet slapen. Gelukkig maar, want een rubberen warmwaterkruikje vind ik al even eng als de opblaasbare speelpop uit het sekswinkeltje in Sluis: aufblasbare Gespielin, lebensecht, lebensgross, beweglich, aufblasen und Sie haben eine Schönheit als Gespielin mit idealen Massen, weich, warm aus fleischfarbenem Vinyl, 1001 Möglichkeiten, DM99, Luxus-Modell DM149. Nee, dat niet! Maar de eenzame leegte, die twee op anderhalve meter meet en die je elke avond weer alleen moet zien te vullen. Dat! Zich wanhopig strekkend tussen de kille bladen van het nachtelijke katoenboek, molenwiekend in de windstille kamer, zo veel mogelijk ruimte vullen met je eenzaamheid tot je kramp krijgt van die Christushouding en het digitale wekkertje vermoeid een zero-score poogt te voorschijn te toveren en rust gebiedt …

Enkele minuten vóór zeven schraapt de radiowekker zijn keel tot een toestand-op-het-wegennet-geluid. Te laat echter want in het rustoord ernaast heft men reeds de tweede hymne aan ter ere van de gouden dag en van de zeven witte eendjes die zwemmen in de zee, zwemmen in de zééé’, abrupt onderbroken door de gebiedende vraag dat papa Leentje moet komen halen. Even nog poog ik weerstand te bieden in de hoop de hoofdpunten van het nieuws vooralsnog te kunnen decoderen, maar nee hoor! Papa moet Leentje halen. Mijn sopraantje moet tijdens de nacht flink uit haar buikje hebben liggen huilen, want zelfs de dorstige Linetluier heeft de Gentse watertoestand niet kunnen induiken. Ik stroop de kleine drenkeling het blauwe pyjamaatje en de onderliggende flanelletjes van het lijf, wikkel het kind in doeken (wat achteraf haar snoezig oranje kamerjasje blijkt te zijn) en neem nog heel even de vlucht naar het Egypte van het warme ouderlijke nest. Herodes kan ons niet meer achterhalen … tot half acht.

Vooraleer het louterend water haar raakt, wil Leentje vijf minuten op het badkamermatje uitrusten pal voor het straalkacheltje, surrogaat voor de moederlijke warmte die de duistere nacht haar deed herinneren? Dan pas mag haar bips onder het sop alhoewel de temperatuur van het washandje druk van commentaar wordt voorzien. Na ruzie om de aan te trekken kousjes, haar favoriete kleur is niet meer voorhanden, en om het voor die dag voorziene broekje, ze wil persé een exemplaar met een poesje uit de linnenmand opvissen, mag ik me zedig omkleden. Haar anatomische kennis wordt hierbij flink op de proef gesteld, maar ze slaagt erin alle dingen bij de juiste naam te noemen. Ik mag fier zijn op mijn (na)geslacht.

Dochterlief is dol op de ontbijttafel, op het ontbijt minder. Ontbijt betekent voor mij dan ook een verwoed gevecht om de bokaaltjes met jam, de doosjes met kaas en de flesjes met melk geopend en gebruiksklaar te houden, want wat niet onmiddellijk beroerd wordt door de vaderlijke hand moet door de dochterlijke knuist vliegensvlug met allerhande dekseltjes en kurken dichtgewurmd worden, zodat na verloop van tijd alles nergens nog op past (oh, die dekselse dekseltjes!), Leentje niet veel meer gegeten heeft dan enkele kruimeltjes en ik met een krop in de keel hevig beroerd de tafel verlaat.

Woensdag is mijn vrije dag, eigenlijk, en aangespoord door enkele premature regenwormen die uitdagend naar de gele merelsnavels lonken, wil ik ook wat in de aarde wroeten: “de lochting maakt toch vele goe, patatten en tomatten op een roe”. De voorbereidende operaties voor deze vorm van uithuizigheid vergen de meeste tijd. Helena moet een kousenbroek aangetrokken krijgen, waarbij blijkt dat ze eigenlijk twee linkerbeentjes heeft; ook de laarsjes vergen enig nauwlettend onderzoek want linker en rechter lijken mij identiek. De puntmuts nog en het kaboutermeisje kan op haar fietsje klimmen, terwijl ik de eerste spade in de gewijde grond stoot. De malse morgen wordt verder gevuld door een valpartij met het stoute fietsje, door trek in een boterham die eerder werd versmaad, door de onbedaarlijke drang om een plasje te maken (gepaard gaande met een nieuwe verkleedpartij en intens speurwerk) en de dringende behoefte om er een geurig pakje aan toe te voegen, tot we dan toch de middag halen en het middagdutje min of meer lukt.

Het hoogtepunt van de dag, een bezoek aan de Gentse Lentebeurs, ondergaat mijn dochter gelaten, lijdzaam en sprakeloos met steeds groter wordende koffieschoteloogjes en een tedere zoen als ik vooroverbuigend denk dat ze me iets toe wil fluisteren. De avond sluipt op kousenvoeten nader en net als ik al bij al tevreden de dag verzoenend overschouw, kegelt Leentje meteen mijn illusies overhoop: “Ik vind het niet leuk bij papa, bij mama is ’t veel leuker!”. De Christusdoorn staat gniffelend te blozen, het parapluplantje laat beschroomd haar schermpjes neer. Dit moet het einde zijn van de eerste van “drie dagen zonder”.

 

De Natuurlijke Weg – april 1978

 

 


 

HET HAGELDE, HET SNEEUWDE …

Een wit jaaroverzicht vol kinderlijke vreugde, een kindgerichte bijdrage met prachtige prijzen

Nomen est omen! Amper één dag nadat ik voorspellend het uit mijn mond liet sneeuwen en ik bittere vorst grijnsde over de komende wintermaanden, zijn mijn woorden sneeuw en ijs geworden. Tijdens de voorbije nacht liet mijn onmiddellijke omgeving zich ondersneeuwen tot een Anton-Pieckachtig landschap. Een tuin vol ochtendlijk dons merk ik als ik ’s morgens vroeg, veel te vroeg, de ruiten bewasem. Een zoon die in zijn wiegje wild zijn speen bemint, heeft me mekkerend gewekt en laat mij in het oosten de rozevingerige morgen zien. Ontroerd snel ik naar buiten, bevrijd het bankje in de tuin van zijn lichte last onderkoelde slagroom, ontvouw een hagel(!)blank blad en spel met dikke vingers mijn verdere voorspellingen uit voor het komend diepvriesjaar.

We waggelen met zijn allen het Dorp van vorig jaar uit, waar de laatste kwak appelmoes grijzig verzuurd in namaaktinnen borden tussen kromgetrokken resten worst en verstijfde porties rijstebrij, het Dorp ” waar de mensen omvangrijk zijn “. Meteen knipt mevrouw R. De Backer een symbolische navelstreng door en buitelen we met zijn allen het Jaar van het Kind in. Tijdens de daaropvolgende receptie brengt mevrouw De Backer een heildronk uit op alle kinderen die zijn en nog zullen zijn, en stelt een vernieuwende folkloristische daad door een stukje moederkoek (van nu af aan te verkrijgen op gelei in elke erkende natuurvoedingzaak) door te slikken met een gulp Piper Heidsieck-champagne. Deze dappere daad zal elk jaar feestelijk worden herhaald en zal weldra het notabel visjesdrinken in Geraardsbergen verdringen.

Om de cumulerende stuurgroep van het Kinderjaar voldoende slalomruimte te geven, wordt gedurende 12 maand slechts 80 % van de kinderbijslag uitbetaald, wat meteen een erge discriminatie wegneemt: kinderrijke paren worden niet langer gedoodverfd als te hebben gehandeld uit winstbejag. Wie toch nog op winst wenst te jagen, kan pleegkinderen opnemen (10, 15 of 20) en deze voeden met volkorenbrood en zelfgemaakte jam, gezond en niet duur.

Met brood De Man en confituur GB kan dit nog goedkoper, maar de resultaten zijn minder bevredigend. Omdat kinderen belangrijk zijn, sponsort de Partij allerlei strandspelen. Naast de traditionele schoonheidswedstrijden voor kinderen, zijn er snelheidswedstrijden met kinderwagens (waarvoor wel een taksplaat dient te worden betaald) die het gevaarlijke skateboard tot brandhout moeten herleiden. Het al oven gevaarlijke mastklimmen (een relict uit het Jaar van het Dorp) wordt vervangen door het kindvriendelijke neus- peuteren; wie eerst boven geraakt, zwaait opgetogen met een vlaggetje (rood met witte bollen, zegt het reglement). Voor de flesdrinkende baby’s organiseert de stuurgroep sneldrinkwedstrijden, ingedeeld in drie categorieën : 100 c1, 150 c1 en 200 cl. De borstkindjes worden hier wel tekort gedaan; om allerlei praktische en ethische bezwaren diende te worden afgezien van een soortgelijke competitie voor kindjes die enkel de borst lusten. Proeven waar de handigheid van de moeders een grotere rol speelt dan de behendigheid van de kinderen, vinden spijtig genoeg ook een plaatsje op de jaaraffiche. Om ter snelst een baby van een verse luier voorzien, vinden we weinig kindgericht; in de programmabrochure, vertaald uit het Frans, staat bovendien verkeerdelijk “het opdoeken van kindjes”!

Bij dit alles worden gul prijzen uitgereikt! De winnende kleintjes worden bedolven onder dozen melkpoeder (geschonken door het loeiende Ministerie van Landbouw), stapels Vitabiskoekjes en pakken suikervrije kauwgom. Enkele winnaartjes worden uitgenodigd hun beeltenis te lenen voor de reclameborden van de Partij met het oog op de te voorziene verkiezingen in 1979, of vinden zich afgebeeld op Betterfood- verpakkingen of smeken langsheen het snelbeton om niet te worden overreden omdat ze nog zo jong zijn, Dit en nog veel meer is mijn blijde verwachting (!) voor het kinderlijk 1979. Mijn beste wensen, lieve lezer. Mijn voeten tintelen in het glinsterend wit, mijn warme hand houdt de inkt in mijn pen nog even vloeibaar. Het wordt toch een goed jaar, waarin de medewerkers van De Natuurlijke Weg stipt worden betaald, waarin De Natuurlijke Weg op tijd verschijnt en waarin het duizendste lid van mijn fanclub wordt ingeschreven.

De Natuurlijke Weg – januari 1979


 

KIPPEN

Oproep tot een vernederd ras, de veren vliegen in het rond ; waarom kippetjes langer leven dan haantjes; de auteur graaft met geperforeerde handen de strijdbijl op.

Kip, geranium onder de vogels, mus onder het pluimvee, hoen, wat heb ik met u te doen ! Gallus domesticus, die reeds lang voor onze jaartelling tot huisdier werd, ooit de kalkoen van de armen, nu verveling van de zondagse dis, wat heeft u niet aan poëzie ingeboet sedert u als de wilde Bankiva uit Zuidoost-Azië ons neerhof kwam binnengescharreld. Kip, die zich nooit meer kiplekker zal voelen in de kunstmatige dag-nacht van uw metalen legkast. Hen, die zich leeglegt tot er niets meer rest dan wat velletjes en beentjes (en misschien twee pluimen) die door Royco tot “chickensoup” worden gepromoveerd. Hennen, doe als de Hunnen, kies u een Atilla, krab Kruishoutem van de kaart; Leghorns, Ancona’s, en Minorca’s, Rhode Island Rods, Barnevelders, Wyandottes en Plymouth Rocks, Noord-Hollandse Blauwen, Mechelse Koekoeks, Dorkings, Langshans, Cochuns en Brahma’s verenig u. Laat geen kippengaas u nog weerhouden ! Oorlog aan het Belgisch ontbijt met de twee spiegeleitjes ! Kippenboeren de struif kome over u !

Verrast door de lente, vertederd door het dons, vermurwd door het dochterlijke enthousiasme smokkelt mijn vrouw twee kuikentjes op hun paasbest onze woonst binnen. Vooraleer ik een tactische tegenzet heb kunnen bedenken, krieuwelt het broedsel reeds in een doos dicht bij de haard. Er is geen ontkomen meer aan, want ik ben nu eenmaal niet zo handig als mijn oom Cyriel, die ooit bedroefd mocht zijn om een vroeggestorven, maar vervelend hondje, dat naar ooms zeggen per vergissing tegen zijn hamer was gelopen. Mijn enige hoop is enkel nog gesteld op de avondlijke knuffelpartijen, nog even voor het slapengaan, van de diertjes door dochter Leentje. Maar die hoop blijkt ijdel, de mollige handjes knijpen net niet hard genoeg.

Na een week stijgen de eerst kwalijke geuren uit het kartonnen huisje op. Mijn huisgenoten verleiden me tot het ambachtelijke werk van de timmerman (If I were a carpenter, worked with my hands in wood, would you still love me anyhow ?). De aanmoedigingskreten verheffen me tot het kunstenaarschap. De piepkuikens, de vertedering en de ontroering zijn verdwenen, de schreeuwlelijkerds dus, verhuizen naar de garage in een kooi waarin je zelfs Hansje en Grietje zou kunnen vetmesten. Het tapijt in de living blijkt ontsierd door een omelet van een vochtige plek, aan kippendrek weerstaat niets.

Kippen kweken, doe je met liefde. Om het natuurlijk milieu zoveel mogelijk te benaderen, zeul ik emmers droge turf aan. Verblijd krabbelen de hoenders overeind en krabben in een mum van tijd de turf door de tralies terug naar buiten. Wat ik in de komende weken ook nog vertimmer aan mijn kippen-Alcatraz, het stof blijft ons om de oren waaien. De diertjes zijn enkel nog te benaderen met stofbril en -masker, een extra uitrusting die het contact mens-dier ernstig dreigt te verstoren. Maar er komen andere tijden (Bob Dylan) ! Zodra het kwik het toelaat en de nachten ons met een klamme huid omhangen, sleep ik de gekooide kippen naar buiten waar de bloemetjes bloeien en de scharrelaars strategisch worden opgesteld tussen wat schuchter groen. Niets kan ons nu nog deren. Enkel het eetritme van de gele geilogen is onrustbarend gestegen. De etensbak dient door een ruimer specimen te worden vervangen en met enig ingenieus gekerf wordt uit een vijflitervat van Panamazeep een drink- en drenkplaats gecreëerd. Het water dient tot tweemaal daags te worden ververst, want de drenkplaats wordt dra een drek plaats. Het aanvullen van voedselvoorraden verloopt ondertussen steeds hachelijker; het pluimvee wordt met de dag agressiever en pikt naar alles wat beweegt, gestigmatiseerd dien ik me terug te trekken.

Komt dan de heuglijke dag dat een jeugdig onweer boven onze gewesten regen belooft en de kippen, als altijd vroeg uit de veren, paniekerig en klapwiekend protesteren, tot één van hen (!) uit volle (kippen)borst een gorgelend geluid laat horen dat hanengekraai moet verbeelden. Daar gaat ons Belgisch ontbijt, en vrouw en kind bezwijken als ik hun uitleg dat onze kippen transseksuele allures hebben aangenomen en enkel nog in een kookpot thuishoren. Ik huiver even en voel voor het eerst een warme genegenheid voor het hakbijlcomité van onze Rooms-rode regering nu ik zelf de hakbijl mag hanteren. Zaterdag is de grote dag, mijn hakbijl zal blozen bij het zien van zoveel bloed, het bloed van vermomde oproerkraaiers die zich durfden te tooien met andermans veren. Enkel dit nog, pluimveehouderij is geen winstgevend bedrijf; kippenvoer hout, gaas en verdere uitrusting voor de twee kostgangers kostten me zes bankjes van honderd (te veel) .

De Natuurlijke Weg – april 1979
Meander – maart 2003


 

 

 


 

PAIN PERDU
RAINBOW

Karel Camiel, being expelled from Ghent because of singing shabby songs, bought Adèle, a four year old donkey with a slight limp. Together they set out for the North Sea.

“I reached the village in the late afternoon. The donkey I was riding was sweating like a horse. I encouraged her by telling stories about mules toiling and moiling in goldmines. She wasn’t amused at all. A sullen donkey under a sullen sky. She halted stubbornly at a fork where a sandy path hopefully wound into the village. I hoped to find refuge in this rural place and urged Adèle with my knees. She didn’t move an inch.”

OAKWOOD

Approaching the village of Lovendeghem Karel Camiel started pondering on oak trees hoping to keep Adèle going.

“The richest of all our greenwood habitats in wildlife terms, I said, is the oakwood: a nature reserve in its own right. Every oak is host to plants, insects, birds and animals from the oak bush crickets which browse on its crown to the roe and fallow deer which walk in its shade. Adèle pricked her ears when I mentioned roe and deer, familiar to her.
Compare, for instance, the wealth of insect life in an oak (284 different kinds) with that of alien species such as the horse chestnut (five) or the plane tree (only one). There are bugs that feed on oak flowers, beetles that eat the bark, and caterpillars like those of the purple hairstreak butterfly that eat the young leaves. Adèle nibbled on a harebell but didn’t move.
The insects attract birds: tree-creeper, nuthatch, pied flycatcher, wood warbler. The great spotted woodpecker nests in holes drilled into the hollow heart of rotten branches. Acorns provide food for the jay and grey squirrel, and the abundance of wildlife attracts fierce predators such as the weasel, the sparrowhawk and the rare polecat. Adèle flattened her ears and a tremor went through her limbs.”


 

RETOSCOOP

Een shownummer, met de mooiste meisjes uit Vlaanderen, met als gastvedette uw dienaar, een dankbare realisatie van mijn retorika-leerlingen. Graag uw applaus.

Na de jaren van verstand komen de jaren van weemoed. Weemoed, wollen deken van verdriet, weemoed, gewatteerde mantel van herinnering. Begin september 1978 word ik klassendirecteur van veertien jongeren, de zalige leeftijd van achttien nabij. Niet zomaar een klas van veertien jongelui, maar een ongewoon rijke oogst aan organisatietalent acteertalent, spiritualiteit en vooral durf, grenzeloos vertrouwen en optimisme. De helft van hen, me dierbaar vertrouwd, sinds we twee jaar geleden per fiets Engeland veroverden. Vóór ik het goed besef, zit ik samen met hen midden in het grote avontuur van een avondvullend cabaretprogramma. Het Cultuurcentrum van Waregem wordt afgehuurd. Het vrouwelijk schoon dat voor het laatste jaar school loopt in deze Paardenstad, geraakt innig overtuigd door mijn dubbel zevental om hun gazellebeweeglijkheid,, hun vlinderglimlachjes en hun nachtegaalstemmetjes te lenen voor een grootse show- en cabaretavond De meeste directies kijken meelijwekkend toe en vergaderen ondertussen ernstig op een pedagogische studiedag over de relatiebehoeften van de leerling.

Na een paar jaar zelf een obscuur cabaretgezelschap te hebben geleid, weet ik wel hoe het stoffig ruikt achter de coulissen, hoe blind je het publiek aankijkt als het doek opengaat, hoe verraderlijk koel het zweet langs je lijf parelt (je hoort de druppels vallen op de plankenvloer) en vooral hoe zalig je zwevend van je schaduw loskomt als het publiek een staande ovatie brengt. Als ik op donderdagavond 22 februari om 17 u mijn kleedkamer (loge 3) in het Cultuurcentrum van Waregem binnenstap, voel ik de lang vergeten sensatie van dit alles door me heen flitsen, elke vezel hunkerend, nog eenmaal tot alles bereid.

Wachten. Bart komt binnenwaaien. Nerveus pulkt hij aan een broodje met kaas en schenkt me schielijk en linkshandig een glas koel water in. Als de deur van loge drie weer opendraait, wandelt Martine stralend naar binnen. Hartverwarmende Martine, Vlaanderens hoop in bange dagen, Barts ontdekking, licht en leven. Martine in blue, mijn favoriete kleur, de kleur der dwazen. Met ons drieën praten en spelen we de show aan mekaar. Zes weken intensieve voorbereiding, zes weken verkenning, zes weken hartelijkheid en groeiende verliefdheid gaan vooraf.

De geluidsband van allrounder Johan start, we tellen af in onvervalste Cape-Kennedy-stijl. Maar de avond kan niet beginnen. Vijfhonderd zitplaatsen, zevenhonderd toeschouwers. De brandweer laat tweehonderd toeschouwers uit de overvolle zaal verwijderen. Ondanks de brandweer een laaiende zaal. Een vuurdoop voor Bert en Martine. Even later, na het introductie-slapstickfilmpje moet ik de zaal komen doorrennen het podium op. Martine helpt me uit mijn groene mantel. De zaal ligt aan onze voeten, en het is goed ! We blijven overeind, we struikelen niet, we vallen enkel maar, Bart, Martine en ik, in elkaars armen, opgelucht. De pauze.

Het tweede deel, even beroering bij de aanvang. Ik pareer het rumoer van een paar zuipschuiten in de zaal met mijn allerbeste scheldproza. Het publiek is met ons en klapt in de handen, de grote bekken dicht. En dan, zo plots, het einde. Bart en Martine vragen applaus voor wie meewerkten, ik vraag applaus voor wie niet meewerkten. Vertederd kus ik Martine tussen de rozen door die ik haar overhandig. Dat dwaze hart van mij staat even stil, ik hou de lente in mijn armen. Bart krijgt zoals afgesproken een cactus een prikkel om door te gaan. Het licht neemt bezit van de zaal. De trip is over, de roes voorbij. Bart zoent Martine, iedereen zoent iedereen. Een hoogblonde kerel roept “la Bamba ” !

Eén uur, twee uur later misschien ben ik weer helemaal alleen. In mijn amechtige deux-chevaux, weemoed om me heen. En ik herken opnieuw mijn groot persoonlijk drama, achter te blijven, volgend jaar te moeten optrekken met weer nieuwe knullen die altijd 18 blijven, terwijl ik stoffig verga tussen de krijtbak en het groene speelveld van het bord; en elk jaar ouder worden 31, 32, 33. Ik voel me als dood, straks ga ik verrijzen.

 

De Natuurlijke Weg – april 1979

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s