Paul Demets

Zulte

Tijd scheert laag, bijt in glijvlucht
uit zwaluwzwart. Achter het raam raakt
een arm een lengte verder van het blad
vandaan. Hier moet een kamer zich te buiten
gaan, hier uitgevloeid over het papier en in
donker in het letterwerk gegroeid. Over
de rivier voert het aan – een aak
die het zilte smaakt, het zulte van de grond.
Een trage aak die roerloos drijft, het water
dat zich schikt – oeverloos komt het op adem.
Een boom die donkert; in zijn takkenwerk
waaiend noten leert, stekelig tijd afweert.
Dan daarboven, inhalig pratend, eenden.
Ze rijten de lucht, de Leie, mij
uit een andere huid. Tongval die mij
wist, vlas, open akker, littekens losgereden
gras. En de arm destijds die het bord schoon
moest vegen, vol bewijs van ondeelbaarheid.
Krijtstof dwarrelt nog. Het is het zulte, het zilte
dat daalt, naar nevel taalt, mij monddood
de woorden op mijn lip verbijt.

 

Drie gedichten voor het Lappersfortbos met verwijzingen naar de bedrijven die de buurt sieren.

Breinaaldwoud*

Die levende ben ik. Een spreken dat ontwaakt
op een bed van naalden en de geur van hars.
Een raam dat uitzicht op me heeft.
In haar handen vertakt zich de kamer,

vangt het ritselen aan. Hoe zij uit haar
haren een kruin tevoorschijn kamt. Rond
haar enkels de grond die stolt. Het is
maar dat ik me een bast verbeeld,

opschietend groen dat haar over de schouders
valt, haar met dagorde bekleedt in een kamerjas.
En verdwijnt ze dan, zoals alleen zij
verdwijnen kan, in de ochtend voor de bijl.

Het tikken van naalden, een steek, steeds
verder. Licht is van wol. Dat werk daar
dat zij heeft opgezet, ik tel het, raap het op,
ontrafel tot de draad. De kamer een woud

waar geen boom rechtstaat.

* FN had vroeger vlakbij het Lappersfortbos een vestiging waar breinaalden gemaakt werden. En minder onschuldige munitie.

 

 

Fabricom

Staal heeft een plan. Het hamert zijn wil
waar dauw met bosgroen vergadert
en slaat zijn platte hand op tafel, een vlam
in de pan. Staal heeft een gezicht. Niet

te onderscheiden in het ochtendlicht.
Bestond staal in het wild, een jager dan
die, van zichzelf verzadigd, wel wat wil
met lood, maar liever alles voor hem uit

ziet vluchten dan zelf te kijken in starre
ogen, het gerafeld vel van een dierlijke dood.
Staal maakt ons koud. Begint ons aan te raken,
gaat over onze tong. Hoe staal dan

naar binnen gaat, zoekt naar ons vuur,
ook onze vlammen likt, onze as eet op de duur.
Dat staal zijn wij. Glanzend lonkt het graf.
Maar hier geworteld te zijn, niet van elkaar

te onderscheiden, bedrijven wij. Het is
onze natuur: nooit af.

 

Bombardier

Nu de opgraving werd begraven, de sloop verbouwd,
de bomen gehard zijn uit hun zaagsel. Nu likdoorns,
eelt onze huid strelen, nu het verstoft, bladdert,
nu de verkruimeling het brood vult dat we eten,

nu de ontbladering verwaait, het gevulde moeras
vaste voet ketent, kikkers ontslapen,
terwijl het niet regent op onze natte schouders,
begin oktober lentelicht ons herinnert en

de populieren hun hoogtevrees vergeten te vieren,
hun afstamming op de vrachtwagen, zijn
de straten, alle ramen van de stad
op de hoogte. Ze zwijgen hun monden vol,

bevragen hun antwoorden. Hun afwezigheid blijft
hier opdagen. Nemen wij dan de trein, ontrollen
wagons naar hun stations. En ontvolken
de aarde. De wereld is beter zonder ons.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s